Jhr.Mr. D.J. (Dirk) de Geer

D.J. de Geer
bron: Portretalbum Nederlandse Adel, 1937

Vooraanstaand staatsman in de eerste helft van de twintigste eeuw. Diverse malen Tweede Kamerlid en minister, en tevens raadslid in Rotterdam, gedeputeerde van Zuid-Holland en burgemeester van Arnhem. Tweemaal minister-president, beide keren als opvolger van Colijn. Een belangrijk wetgevend succes als minister van Financiën was zijn Financiële-Verhoudingswet. In 1939 leider van het eerste kabinet met sociaaldemocraten. Harde werker en scherpzinnig jurist, maar solistisch en eigenzinnig. Week in 1940 met zijn kabinet uit naar Londen. Moest zijn langdurige politieke loopbaan gedesillusioneerd beëindigen, omdat koningin Wilhelmina geen vertrouwen in hem had vanwege zijn te defaitistisch geachte houding. Keerde tijdens de Bezetting op eigen gezag terug naar Nederland. Werd na de oorlog op tamelijk vage gronden veroordeeld en ridderorde en titel 'minister van staat' ontnomen.

CHP, CHU
functie(s) in de periode 1907-1940: lid Tweede Kamer, fractievoorzitter TK, minister, minister-president

Inhoud

  1. Personalia
  2. Partij/stroming
  3. Hoofdfuncties/beroepen
  4. Partijpolitieke functies
  5. Nevenfuncties
  6. Opleiding
  7. Activiteiten
  8. Wetenswaardigheden
  9. Publicaties van/over
  10. Familie/gezin

Personalia

voornamen (roepnaam)

Dirk Jan (Dirk)

titulatuur en naam

Jhr.Mr. D.J. de Geer Dirk Jan (Dirk)

geboorteplaats en -datum

Groningen, 14 december 1870

overlijdensplaats en -datum

Soest, 27 november 1960

begraafplaats en -datum

Jutphaas, 1 december 1960

levensbeschouwing

Hervormd: midden-orthodox

Partij/stroming

partij(en)

  • CHK (Christelijk-Historische Kiezersbond), tot 16 april 1903 (mogelijk alleen lid CH-kiesvereniging)
  • CHP (Christelijk-Historische Partij), van 16 april 1903 tot 9 juli 1908
  • CHU (Christelijk-Historische Unie), vanaf 9 juli 1908

Hoofdfuncties/beroepen

  • redacteur C.H.-dagblad "De Nederlander", van 1892 tot 1908
  • lid gemeenteraad van Rotterdam, van 12 september 1901 tot 20 februari 1908
  • lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 2 juli 1902 tot 8 mei 1920 (1902-1919 voor het kiesdistrict Ridderkerk)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 november 1907 tot 30 augustus 1921 (1907-1918 voor het kiesdistrict Schiedam)
  • lid Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, van 11 februari 1908 tot 8 mei 1920
  • burgemeester van Arnhem, van 8 mei 1920 tot 28 juli 1921 (benoemd bij K.B. van 8 maart 1920)
  • minister van Financiën, van 28 juli 1921 tot 11 augustus 1923
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 juli 1922 tot 18 september 1922
  • minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, van 4 augustus 1925 tot 8 maart 1926
  • minister van Financiën, van 8 maart 1926 tot 26 mei 1933
  • voorzitter van de ministerraad, van 8 maart 1926 tot 8 augustus 1929
  • fractievoorzitter CHU Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 28 april 1933 tot 10 augustus 1939
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 mei 1933 tot 10 augustus 1939
  • lid Provinciale Staten van Zuid-Holland, van 2 juli 1935 tot 10 augustus 1939
  • minister van Financiën, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940
  • minister van Algemene Zaken ad interim, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940
  • voorzitter van de ministerraad, van 10 augustus 1939 tot 3 september 1940

ambtstitel

  • minister van staat, van 31 augustus 1933 tot 12 november 1947 (titel ontnomen)

(in)formateurschap(pen)

  • informateur, van 19 juli 1922 tot 22 juli 1922 (geheime opdracht)
  • kabinetsformateur, van 1 maart 1926 tot 4 maart 1926
  • kabinetsformateur, van 4 augustus 1939 tot 9 augustus 1939

Partijpolitieke functies

overzicht

  • lid partijbestuur CHU, tot 1914
  • lid partijbestuur CHU, 1918
  • tweede voorzitter CHU, van 31 oktober 1918 tot 28 juli 1921
  • lid CHU-commissie voor de sociale wetgeving, van september 1918 tot 2 november 1918
  • penningmeester CHU, van juni 1924 tot maart 1926
  • politiek leider CHU, van 8 juli 1929 tot 3 september 1940
  • lid hoofdbestuur CHU, van september 1933 tot november 1933
  • voorzitter CHU, van 29 november 1933 tot 10 augustus 1939

lijsttrekkerschappen

  • lijsttrekker CHU Tweede Kamerverkiezingen 1933
  • lijsttrekker CHU Tweede Kamerverkiezingen 1937

Nevenfuncties

  • lid Staatscommissie inzake de evenredige vertegenwoordiging (Staatscommissie-Oppenheim), van 19 november 1913 tot 25 mei 1914
  • lid Staatscommissie ter voorbereiding van een belasting op oorlogswinst (Staatscommissie-Bos), van oktober 1915 tot 23 februari 1916
  • lid Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening, van 25 juni 1916 tot juli 1921
  • voorzitter commissie tot huldiging van jhr. A.F. de Savornin Lohman vanwege diens 80e verjaardag, juni 1917
  • lid Centraal Stembureau, van 1918 tot 1920
  • lid Staatscommissie inzake algehele herziening der Gemeentewet (Staatscommissie-Oppenheim), van 6 december 1918 tot september 1920
  • lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-Ruys de Beerenbrouck), van 20 december 1918 tot 27 december 1920
  • lid Centrale Commissie voor de Statistiek, omstreeks 1920
  • lid College van Curatoren Rijksuniversiteit Groningen, van 12 september 1935 tot 19 augustus 1939
  • lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-De Wilde), van 24 januari 1936 tot 8 juni 1936
  • lid Staatscommissie inzake concentratie van scholen voor bijzonder lager onderwijs, van 4 april 1936 tot 16 december 1936
  • voorzitter Staatscommissie inzake toezicht op particuliere banken, van 7 maart 1937 tot 11 oktober 1939

afgeleide functies, presidia etc.

  • voorzitter begrotingscommissie voor hoofdstuk VIIb (Financiën) 1910 (Tweede Kamer der Staten-Gerenaal)
  • voorzitter begrotingscommissie voor de hoofdstukken I, II etc. en de Wet op de Middelen 1912 (Tweede Kamer der Staten-Gerenaal)
  • voorzitter begrotingscommissie voor hoofdstuk VIIb (Financiën) 1915 (Tweede Kamer der Staten-Gerenaal)
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1915 tot februari 1915
  • ondervoorzitter van de ministerraad (kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III), van 10 augustus 1929 tot 26 mei 1933
  • voorzitter vaste commissie voor de Belastingen (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 24 september 1935 tot 10 augustus 1939
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1933 tot 10 augustus 1939
  • voorzitter Commissie van Voorbereiding ontwerp van wet tot heffing van een nationale inkomsten- en winstbelasting (Tweede Kamer der Staten-Generaal), 1939

Opleiding

voortgezet onderwijs

  • Chr. "Marnix Gymnasium" te Rotterdam, tot 1885
  • Stedelijk Gymnasium te Arnhem, van 1885 tot 1889

academische studie

  • rechtswetenschap (gepromoveerd op dissertatie), Rijksuniversiteit Utrecht, van 1889 tot 9 april 1895 (cum laude)

Activiteiten

als parlementariër

  • Voerde als Tweede Kamerlid vooral het woord over financiën, pensioenen, binnenlandse zaken (gemeentefinanciën, grondwetszaken), onderwijs en justitiële onderwerpen. Sprak na 1933 ook over onder meer buitenlandse zaken, het Defensiefonds, de Dienstplichtwet, de Winkelsluitingswet en de affaire-Oss.
  • Bracht in 1910 samen met Van der Molen (ARP) een initiatiefwetje tot stand tot herstel van een fout in de overgangsregeling m.b.t. de geldigheid van akten van bekwaamheid voor onderwijzers
  • Diende in 1920 met Van den Tempel (SDAP) en Treub (Vrijheidsbond) een initiatiefwetsvoorstel in inzake maatregelen tegen te zware gemeentelijke belastingdruk. Dit voorstel werd in 1921 ingetrokken.

opvallend stemgedrag

  • In 1907 stemden hij, Lohman en Van Bylandt als enigen van de rechterzijde vóór de (verworpen) begroting van Oorlog
  • Stemde in 1911 als enige van de rechterzijde vóór een motie-Goeman Borgesius waarin om grondwetsherziening werd gevraagd die invoering van algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging mogelijk moest maken
  • In 1917 stemden hij en Lohman als enigen van hun fractie tegen een motie-Marchant, waarin het besluit van minister Bosboom werd betreurd om de landstormjaarklasse 1908 op te roepen
  • Stemde in 1919 als enige van rechts vóór een (verworpen) motie-Dresselhuys waarin het beleid van minister Bijleveld rond de aanschaf van pantserplaten voor kruisers werd afgekeurd. Hij stemde daarna wel vóór de (verworpen) begroting.
  • Behoorde in 1920 tot de drie leden van zijn fractie die tegen de (verworpen) ontwerp-wet maatregelen ter bestrijding van het onredelijk opdrijven en hoog houden van prijzen ('Duurtewet') stemden
  • Behoorde in 1933 tot de vier leden van zijn fractie die tegen een wetsvoorstel over korting op pensioenen van voormalige Indische ambtenaren stemden

als minister-president

  • Tijdens zijn tweede kabinet werd op 24 augustus 1939 de voormobilisatie en vier dagen later de algehele mobilisatie afgekondigd en op 1 november van dat jaar de staat van beleg
  • Zijn tweede kabinet nam op 13 mei 1940 het besluit om, in navolging van de koningin, uit te wijken naar Zeeland (later werd dit Groot-Brittannië). Van het vertrek van de koningin was het kabinet overigens niet op de hoogte gesteld.

als bewindspersoon (beleidsmatig)

  • In 1922 verwierp de Eerste Kamer de door hem verdedigde ontwerp-Pensioenwet, waardoor een premievrijpensioen zou worden ingevoerd. Het wetsvoorstel was in 1920 ingediend door minister De Vries, maar door De Geer gewijzigd.
  • In 1928 verwierp de Tweede Kamer met 52 tegen 40 stemmen een door hem verdedigd wetsvoorstel om de invoerrechten te verhogen op huishoudelijk aardewerk, porselein en glaswerk, ter bescherming van de keramische industrie
  • Werd vanaf 1930 als minister van Financiën geconfronteerd met teruglopende inkomsten en stijgende uitgaven, met name door crisismaatregelen. Die laatste kwamen ten laste van het Leningfonds 1914. Een tijdelijk ingesteld Reservefonds was spoedig uitgeput. Ter versterking van de gewone middelen werden opcenten geheven en enkele belastingen, invoerrechten en accijnzen verhoogd. Op basis van voorstellen van de commissie-Welter werd fors gesneden in de uitgaven voor onder meer gemeenten (werklozensteun), onderwijs en salarissen. Bracht in 1931 de Wet op de benzine-accijns tot stand.
  • Voerde in 1932 samen minister Ruijs de Beerenbrouck bezuinigingen door bij de gemeenten (3% verlaging salarissen gemeentepersoneel)

als bewindspersoon (wetgeving)

  • Bracht in 1922 de Pensioenwet tot stand. Deze regelde de pensioenvoorziening voor ambtenaren van Rijk, gemeente, provincie, waterschappen, Raden van Arbeid, de Rijksverzekeringsbank en Kamers van Koophandel. Ook onderwijspersoneel en beambten van aan de overheid gelieerde bedrijven vielen onder de wet. Pensioen werd uitgekeerd aan ambtenaren vanaf hun 65ste en bij invaliditeit, en aan weduwen en wezen van ambtenaren. De pensioenvoorziening werd ondergebracht in het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Dit fonds werd bestuurd door de Pensioenraad.
  • Bracht in 1926 de Bioscoopwet tot stand. Deze wet maakte gemeentelijke voorschriften voor filmvoorstellingen aan personen onder de 18 jaar mogelijk en voerde de mogelijkheid van gemeentelijke nakeuring (naast de verplichte rijkskeuring) van films voor volwassenen in. Gemeenten met minder dan 20.000 inwoners mogen bioscopen verbieden. Verdedigde het wetsvoorstel ook in de Eerste Kamer hoewel hij geen minister van Binnenlandse Zaken meer was.
  • Bracht in 1926 samen met minister Van der Vegte de Motorrijtuigenbelastingwet tot stand, waarbij de wegenbelasting werd ingevoerd waarvan de opbrengsten ten goede kwamen aan het wegenfonds. De belasting werd geheven van motorrijtuigen op grond van het gewicht van de voertuigen. De in 1924 tijdelijk ingestelde rijwielbelasting werd een blijvende retributie.
  • Bracht in 1927 de Comptabiliteitswet tot stand. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een grondwettelijke bepaling die al in 1848 was opgenomen. De wet legde het reeds gehanteerde repressieve stelsel vast: de uitgaven werden gecontroleerd, nadat ze waren gedaan. Twistpunten tussen de Rekenkamer en de regering over een uitgave werden aan de Staten-Generaal voorgelegd. Ook de door de Rekenkamer goedgekeurde rijksrekening moet aan de Staten-Generaal worden voorgelegd. Het ledental van de Algemene Rekenkamer werd teruggebracht van zeven naar vijf. De Rekenkamer mag zelf aanbevelingen doen bij vervulling van vacatures. De maximumleeftijd voor het lidmaatschap werd 70 jaar. De centrale rol van de minister van Financiën bij het opstellen van de begroting werd vastgelegd; hij krijgt de bevoegdheid om voorschriften te geven voor de inrichting van de begroting(en). Aan de miljoenennota werd een wettelijke basis gegeven.
  • Bracht in 1928 samen met minister Kan de Natuurschoonwet (Stb. 63) tot stand. Deze wet biedt eigenaren van landgoederen die onder de wet vallen, vermindering van belasting indien zij hun landgoed onderhouden. De wet heeft alleen betrekking op met bossen bezette landgoederen.
  • Bracht in 1929 samen met minister Kan de Financiële-Verhoudingswet tot stand, waarbij onder meer het Gemeentefonds werd ingesteld. De gemeentelijke inkomstenbelasting werd vervangen door een Gemeentefondsbelasting waaruit het Gemeentefonds werd gevoed. Daarnaast werden er 50 opcenten op de vermogensbelasting geheven. Ook de (gemeentelijke) forensenbelasting verdwijnt. De gelden uit het Gemeentefonds werden verdeeld op basis van vijfjaarlijks vast te stellen uitgaven voor onderwijs, politie en armenzorg en het gemiddelde inkomen per inwoner in een gemeente.

Wetenswaardigheden

algemeen

  • Eén van de eerste rechtse politici die voor algemeen kiesrecht en vrouwenkiesrecht pleitte
  • Werd in september 1912 als tweede op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet. Zat regelmatig de avondvergaderingen voor, omdat Voorzitter Van Nispen zich vanwege zijn gezondheid moest beperken tot het leiden van de dagvergaderingen.
  • Werd in september 1918, 1919 en 1920 als tweede op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet
  • Verklaarde in 1919 al in het C.H.-blad "De Nederlander" het wenselijk te vinden dat de SDAP regeringsverantwoordelijkheid zou gaan dragen
  • Bleef in 1920 op aandringen van zijn fractiegenoten na zijn benoeming tot burgemeester van Arnhem Tweede Kamerlid
  • Kwam in 1922, vanwege bezwaren tegen de financiering van de voorgestelde Vlootwet, kort voor het einde van de formatie terug op zijn toezegging om wederom minister van Financiën te worden. Was enige tijd daarna alsnog bereid de post te aanvaarden, na de toezegging dat een staatscommissie de financiering zou onderzoeken en om de kwestie zodoende enige tijd 'in de ijskast' te plaatsen. Zonder zijn toetreden, zou de formatie van Ruijs II mislukt zijn. Voor de buitenwacht (inclusief zijn partijgenoten) was zijn aftreden op 18 juli 1923 onverwacht, omdat hij instemde met geheimhouding van de tijdens formatie gemaakte afspraken.
  • Gaf een dag na zijn ontslagaanvrage in een interview met het Algemeen Handelsblad uitleg over zijn beweegredenen om ontslag te vragen, omdat hij er - met name in de AR-pers - van was beschuldigd weg te zijn gelopen voor de financiële problemen.
  • Dreigde in maart 1932 in de Eerste Kamer met aftreden, als er geen meerderheid zou zijn voor een door hem verdedigd wetsvoorstel over verlaging van uitkering aan gemeenten en provincies, ten einde tot salarisverlaging van hun ambtenaren te komen. De Kamer nam het wetsvoorstel met 24 tegen 16 stemmen aan.
  • Ging op 14 augustus 1939, onmiddellijk na de vermoeiende formatieperiode en de beëdiging van zijn tweede kabinet, op vakantie in Duitsland om in het Schwarzwald zijn zwangere dochter op te zoeken. Daarover werden (pas) na de bevrijding kritische opmerkingen gemaakt.
  • Keerde op 22 augustus 1939 terug naar zijn buitenhuis bij Arnhem en reisde op 24 augustus naar Den Haag. Hij was afwezig bij het kabinetsbesluit tot voormobilisatie, maar stemde daarmee telefonisch in. Ten onrechte concludeerde de parlementaire enquêtecommissie - op basis van onjuiste informatie van Dijxhoorn - dat er op 24 augustus ook een middagvergadering van het kabinet was geweest (omdat De Geer zich 's ochtends zou hebben verzet tegen het besluit) en dat De Geer die middag afwezig was.
  • Bood in augustus 1939 en nogmaals in december van dat jaar Colijn aan de leiding van zijn kabinet over te nemen, vanwege diens grotere internationale prestige. In beide gevallen weigerde Colijn.
  • De vaak gewekte suggestie dat hij geen belangstelling voor buitenlandse zaken had, is niet op feiten gebaseerd. Hij voerde geregeld het woord bij zowel de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken als in debatten over internationale gebeurtenissen.
  • Hoewel hij weinig op had met het militaire bedrijf was hij geen pacifist. Hij steunde defensieuitgaven en zijn kabinet besloot in 1939 honderd miljoen extra voor defensie uit te trekken.
  • Hield in november 1939 een radiotoespraak waarin hij stelde dat er evenmin als bij de mobilisatie in september 1939 een direct gevaar bestond dat ons land bij de oorlog zou worden betrokken
  • Was in 1940 verantwoordelijk voor de aankoop namens de Staat van het landgoed Sorghvliet, waarop het Catshuis staat
  • Stelde op 10 mei 1940 de (koninklijke) proclamatie op, waarin de regering krachtig protesteerde tegen de Duitse aanval
  • Gaf op 10 mei 1940 geen gehoor aan een verzoek van de Kamervoorzitter om in de middag namens het kabinet aanwezig te zijn bij een vergadering van de Tweede Kamer, waarin de Duitse inval zou worden veroordeeld. Door het ontbreken van het quorum werd dit een bijeenkomst. Achteraf - meer dan op 10 mei zelf - werd hem dit kwalijk genomen.
  • Hield op 20 mei 1940 een rede voor de BBC waarin hij Nederlandse burgers en ambtenaren opriep mee te werken met de Duitse bezettingsautoriteiten. Die rede, die zonder overleg met zijn ambtgenoten tot stand was gekomen, werd hem naderhand kwalijk genomen. Feitelijk was de teneur niet anders dan die van andere gezagsdragers, onder wie opperbevelhebber Winkelman. Die zei op 15 mei in een radiotoespraak, net als De Geer, dat vijandige handelingen tegen het Duitse leger verboden waren en dat rust en orde onvoorwaardelijk gehandhaafd moesten blijven.
  • Er was in Londen twijfel over zijn bereidheid om zich volledig achter het einddoel, het verslaan van Duitsland, te scharen. Deels lijkt er sprake te zijn geweest van het achteraf 'construeren' van dit beeld. Dit geldt met name voor de suggestie dat hij aanstuurde op vredesonderhandelingen met Duitsland.
  • Vroeg in augustus 1940 toestemming om in Zwitserland op vakantie te gaan, maar dit werd hem niet toegestaan
  • Zijn in september 1940 door koningin Wilhelmina geforceerde ontslag leidde tot verontwaardiging bij zijn collega-ministers (Gerbrandy uitgezonderd). De koningin weigerde in te gaan op zijn wens om aan te mogen blijven als minister van Financiën. Naar buiten werden gezondheidsproblemen als reden voor zijn vertrek genoemd. Eerder had de koningin pogingen ondernomen om hem met een aantal collega's naar Nederlands-Indië over te plaatsen.
  • Vertrok op 5 november 1940 met het oog op een mogelijk door hem te vervullen regeringsopdracht in Nederlands-Indië naar Portugal. Wist in Lissabon echter van de Duitsers toestemming te krijgen voor terugkeer naar bezet Nederland en tegen het advies van de regering ondernam hij in januari 1941 die reis (via Berlijn). Hij rechtvaardigde dit door te stellen dat door zijn aftreden de reden om in het buitenland te verblijven was vervallen. Het kabinet noemde dit woordbreuk en premier Gerbrandy sprak (ook voor Radio Oranje) van een 'daad van desertie'.
  • Na zijn terugkeer in februari 1941 publiceerde hij - met toestemming van de Duitsers - onder meer de brochure 'De synthese in den oorlog', waarin hij pleitte voor samenleving van landen in een soort verenigd Europa
  • Zowel de publieke opinie als gezagsdragers werden na de bevrijding in zijn oordeel over hem sterk beïnvloed door het bewust (met name door Gerbrandy) geschapen negatieve beeld over zijn houding tijdens de Bezetting. Het Memorandum dat Gerbrandy in 1945 uitbracht over de Londense periode bevatte aperte onjuistheden over hem. Naast terechte verwijten over zijn soms wankelmoedige en wereldvreemde houding en zijn vertrek naar bezet Nederland werden veel feiten in zijn nadeel uitgelegd. Zo werd de suggestie dat er vredesbesprekingen met Duitsland moesten komen aan hem toegeschreven, terwijl feitelijk minister Van Rhijn dat had geopperd.
  • Naar aanleiding van zijn houding en optreden in de oorlog veroordeelde de Bijzondere Raad van Cassatie hem op 29 oktober 1947 tot 1 jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tijdens het proces in eerste instantie was de niet onbevooroordeelde mr. J.A. van Hamel president, die bovendien contact had met de aanklager.

uit de privésfeer

  • Was voogd over vijf kinderen
  • Zijn zwager Ernst Voorhoeve was oprichter van de Nederlandse tak van het extreemrechtse Verdinaso (Verbond van dietse nationaal-socialisten)

anekdotes en citaten

  • Zijn werklust en behoefte om zaken zelf af te handelen, bleek uit zijn gewoonte om tot diep in de nacht door te werken, waarbij hij als laatste het departement afsloot
  • Hij kwam - weer of geen weer - altijd op de fiets en droeg daarom geen geklede jas
  • Had geen 'menselijk' contact met zijn ambtenaren. Het contact met hen verliep via een dubbelgevouwen foliovel, waarvan de rechterhelft beschreven werd

verkiezingen

  • Versloeg in 1907 bij een tussentijdse verkiezing in het district Schiedam na herstemming H.J. Versteeg (lib.)
  • Versloeg in 1909 in het district Schiedam G. Nijpels (vdb)
  • Werd in 1909 in het kiesdistrict Rotterdam I na herstemming verslagen door H. Goeman Borgesius (ul)
  • Versloeg in 1913 in het district Schiedam J.H. Gunning Wz. (ul)
  • Versloeg in 1917 L.L.H. de Visser (sdp)

niet-aanvaarde politieke functies

  • minister van Onderwijs, 1918 (geweigerd)
  • minister van Financiën, 1918 (weigerde deze hem door Nolens aangeboden portefeuille)
  • minister van Marine, februari 1919 (weigerde; stelde zelf voor minister van Financiën te worden, waarna S. de Vries de post Marine op zich kon nemen)
  • lid Tweede Kamerlid, mei 1925 (benoemd in de vacature-B.J. Gerretson, maar vanwege het uiteengaan van de Kamer kon hij geen zitting nemen)
  • lid Tweede Kamer, augustus 1925 (i.v.m. benoeming tot minister)
  • vicepresident Raad van State, 1933 (geweigerd)

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen

"De rode jonkheer" (bijnaam vanwege zijn redevoeringen en publicaties)

woonplaats(en)/adres(sen)

  • Groningen, van 14 december 1870 tot 1876
  • Rotterdam< Schiedkade 64, van 1876 tot 1885
  • Velp (Gld.), villa Mariënhof, vanaf 1885
  • Rotterdam, Oostzeedijk 53, van 1901 tot 1904
  • Rotterdam, Spoorsingel, van 1904 tot 1908
  • 's-Gravenhage, Johan van Oldenbarneveltlaan 65, van 1908 tot 1915
  • 's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 71, van 1915 tot 14 mei 1920
  • Arnhem, Sonsbeekweg 18, van 14 mei 1920 tot juli 1920
  • Arnhem, Velperweg 37, van juli 1920 tot september 1925
  • 's-Gravenhage, Prins Mauritslaan 61, van september 1925 tot november 1942
  • Soest, Kerkstraat 15, van november 1942 tot 27 november 1960 (mocht vanaf 1947 niet zonder toestemming de gemeente Soest verlaten)

ridderorden

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, van 28 augustus 1920 tot 10 mei 1950 (ontnomen bij K.B. op grond van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden)
  • Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, van 29 augustus 1938 tot 11 september 1940 (in 1940 Grootkruis bij bevordering)
  • Grootkruis in de Orde van Oranje-Nassau, van 11 september 1940 tot 10 mei 1950 (ontnomen bij K.B. op grond van de Wet Zuivering Nederlandse Ridderorden)

Publicaties van/over

lijst van publicaties

  • "De grenslijn tusschen opzet en schuld" (dissertatie, 1895)
  • "De beginselen der rechterzijde", in "Onze Eeuw" (1901)
  • "Hoe te stemmen?" (1918)
  • "De staatsfinanciën" (1924)
  • "Nieuwe stroomingen getoetst aan het oude beginsel" (1933)
  • "De toekomst van de Volkenbond" (1938)
  • "Religie en staatkunde" (1939)
  • "De synthese in den oorlog" (brochure, uitgegeven bij 'D. van Sijn en Zonen' te Rotterdam, maart 1942)
  • "Van lang vervlogen dagen" (1949)
  • "Collectieve veiligheid of collectieve zelfmoord" (brochure, 1950)
  • "Als de avondklok luidt" (1953)
  • "Hou en trouw tot het einde" (1953)
  • "Herinneringen" (1959)
  • "Evenwicht of rechtsherstel" (1960)

literatuur/documentatie

  • L. de Jong, "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog", deel I, 612-617
  • G. Puchinger, "Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw" (1984)
  • J. Bosmans, "Geer, jhr. Dirk Jan de (1870-1960)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel III, 181
  • H. van Osch, "Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president" (2007)
  • M. van der Kaaij, "Een eenzaam staatsman, een biografie van Dirk de Geer" (2012)
  • Onze Afgevaardigden, 1909 en 1913

Biografisch Woordenboek(en)

biografie opgenomen in het Biografisch Woordenboek van Nederland

archivalia

archief-De Geer, Nationaal Archief

archivalia via site Nationaal Archief

vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

Familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm

gehuwd te Rotterdam, 11 augustus 1904

echtgeno(o)t(e)/partner

M. Voorhoeve, Maria (Ria)

kinderen

2 zoon en 3 dochters

vader

Jhr.Dr. L. de Geer, Lodewijk

geboorteplaats en/of -datum

Utrecht, 28 december 1831

beroep vader

predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk

moeder

P.E. Beckeringh, Petronella Elisabeth

geboorteplaats en/of -datum

Amsterdam, 31 januari 1840

broers en zusters

2 broers en 4 zusters (oudste broer overleed in 1888, jongere broer verongelukte in 1918)

beroep grootvader (vaderskant)

houthandelaar

familierelaties