Mr.Dr. J. (Jan) Heemskerk Azn.

J. Heemskerk
bron: Fotocollectie Rijksvoorlichtingsdienst

Belangrijke negentiende-eeuwse politicus, die driemaal een bekwame minister van Binnenlandse Zaken was, met grote kennis van zaken. Aanvankelijk gematigd liberaal Tweede Kamerlid voor Amsterdam. Werd allengs conservatiever. Speelde een voorname rol in de conflictenperiode (1866-1868), waarbij kabinet en koning de strijd aanbonden met de Tweede Kamer. Was daarna enige tijd raadsheer in de Hoge Raad. Bracht in zijn tweede periode als minister belangrijke wetten tot stand zoals de Hoger-onderwijswet, de Hinderwet en de Spoorwegwet. In 1883 formateur en leider van een gematigd kabinet, die behendig de Grondwetsherziening verdedigde die de weg opende naar uitbreiding van het (mannen)kiesrecht. Hardwerkende pragmaticus met een conservatieve levenshouding. Politicus zonder partij, die bedaard en met milde humor optrad.

'pragmatisch' liberaal, conservatief
functie(s) in de periode 1860-1897: lid Tweede Kamer, minister, lid Raad van State

Inhoud

  1. Personalia
  2. Partij/stroming
  3. Hoofdfuncties/beroepen
  4. Partijpolitieke functies
  5. Nevenfuncties
  6. Opleiding
  7. Activiteiten
  8. Wetenswaardigheden
  9. Publicaties van/over
  10. Familie/gezin

Personalia

voornamen (roepnaam)

Jan (Jan)

titulatuur en naam

Mr.Dr. J. Heemskerk Azn. Jan (Jan)

opmerkingen over de naam en/of titel

Azn. staat voor Abrahamzoon

geboorteplaats en -datum

Amsterdam, 30 juli 1818

overlijdensplaats en -datum

's-Gravenhage, 9 oktober 1897

levensbeschouwing

Remonstrants

Partij/stroming

stroming(en)

  • 'pragmatisch' liberaal
  • conservatief, vanaf 1866

Hoofdfuncties/beroepen

  • advocaat te Amsterdam, van 1839 tot 1852
  • kantonrechter-plaatsvervanger, vierde kanton van Amsterdam, van 1 juli 1844 tot 1 februari 1849
  • rechter-plaatsvervanger Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, van 1 februari 1849 tot 1 februari 1852
  • lid Provinciale Staten van Noord-Holland, van 1 juli 1851 tot juli 1860 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • rechter Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, van 1 februari 1852 tot 1 november 1864
  • lid gemeenteraad van Amsterdam, van 22 oktober 1856 tot 1 juni 1866
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 24 april 1860 tot 19 september 1864 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • raadsheer Provinciaal Gerechtshof te Haarlem, van 1 november 1864 tot 1 juni 1866
  • lid Provinciale Staten van Noord-Holland, van 4 juli 1865 tot 1 juni 1866 (voor het kiesdistrict Amsterdam)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 1 juni 1866 tot 4 juni 1868 (benoemd bij K.B. van 30 mei 1866)
  • minister van Justitie ad interim, van 10 november 1867 tot 4 januari 1868 (na het overlijden van minister Borret)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 9 februari 1869 tot 15 september 1873 (voor het kiesdistrict Gorinchem)
  • raadsheer Hoge Raad der Nederlanden, van 1 november 1873 tot 27 augustus 1874 (benoemd bij K.B. van 7 oktober 1873)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 27 augustus 1874 tot 3 november 1877 (formeel ontslag per 2 november 1877)
  • voorzitter van de ministerraad, van 28 augustus 1874 tot 2 november 1877 (formeel tijdelijk)
  • ambteloos, van november 1877 tot 1 oktober 1879
  • lid Raad van State, van 1 oktober 1879 tot 22 april 1883 (benoemd bij K.B. van 15 september 1879)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 23 april 1883 tot 21 april 1888 (benoemd per 22 april 1883, formeel ontslag per 20 april 1888)
  • voorzitter van de ministerraad, van 24 april 1883 tot 20 april 1888 (formeel tijdelijk)
  • lid Raad van State, van 16 juli 1888 tot 9 oktober 1897 (benoemd bij K.B. van 6 juli 1888)

ambtstitel

  • minister van staat, van 28 juli 1885 tot 9 oktober 1897

(in)formateurschap(pen)

  • kabinetsformateur, van 14 juli 1874 tot 25 augustus 1874
  • kabinetsformateur, van 4 maart 1883 tot 12 maart 1883 (poging mislukte)
  • kabinetsformateur, van 29 maart 1883 tot 20 april 1883

Partijpolitieke functies

overzicht

  • lid bestuur Vrijzinnige Kiezers Vereniging te Amsterdam, vanaf 1850
  • lid bestuur Nationaal-Historische Kiesvereeniging te 's-Gravenhage, van 1869 tot augustus 1874
  • lid bestuur conservatieve kiesvereniging "Vaderland en Koning" te 's-Gravenhage, van april 1892 tot 9 oktober 1897

Nevenfuncties

  • lid commissie Remonstrantse Broederschap
  • lid Commissie belast met het afnemen der diplomatieke examens, vanaf 11 maart 1863 (nog in 1871)
  • lid curatorium Klinische School te Amsterdam, van 1864 tot 1866
  • lid College van Curatoren Atheneum Illustre te Amsterdam, omstreeks 1865
  • lid Commissie van Toezicht over de Genees-, heel- en verloskundige school te Amsterdam, omstreeks 1865
  • lid Raad van Commissarissen "Dagblad van Zuid-Holland", van 1869 tot 1873
  • lid bestuur Nederlandsche Juristen-Vereeniging, van 1870 tot 1874
  • lid bestuur Nederlandsche Juristen-Vereeniging, van 1880 tot 1883
  • voorzitter Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening, van 11 mei 1883 tot 18 maart 1885

afgeleide functies, presidia etc.

  • tijdelijk voorzitter van de ministerraad, van december 1867 tot maart 1868
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1869 tot april 1869
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van maart 1871 tot juni 1871
  • lid afdeling Binnenlandse Zaken (Raad van State)
  • lid afdeling Financiën (Raad van State)
  • lid afdeling geschillen van bestuur (Raad van State)
  • lid afdeling Koloniën (Raad van State)
  • lid afdeling Waterstaat, Handel en Nijverheid (Raad van State)

Opleiding

academische studie

  • letteren en rechten, Atheneum Illustre te Amsterdam, van 29 september 1831 tot 1838
  • Romeins en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Utrecht, van 18 april 1833 tot 14 maart 1839
  • letteren (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Utrecht, van 18 april 1833 tot 14 maart 1839

Activiteiten

als parlementariër

  • Hield zich als Tweede Kamerlid onder meer bezig met binnenlandse zaken, koloniën, justitie en spoorwegen
  • Behoorde in 1860 tot de meerderheid die tegen de begroting van Koloniën van de conservatieve minister Rochussen stemde
  • Behoorde in 1861 tot de 20 leden die tegen de begroting van Koloniën van de liberale minister Loudon stemden
  • Behoorde in 1861 tot de meerderheid die vóór een amendement-Ter Bruggen Hugenholtz stemde over het halveren van de begroting voor Onvoorziene Uitgaven
  • Stemde in 1862 tegen het wetsvoorstel tot afschaffing van de slavernij in Suriname
  • Diende in 1869 bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de kiestabel een amendement in om in alle gemeenten (uitgezonderd de 23 meest bevolkte) de census op het minimum te bepalen. Dit amendement werd met 39 tegen 20 stemmen verworpen. Heemskerk meende dat uitbreiding van het kiesrecht de positie van de conservatieven ten goede zou komen.

als bewindspersoon (beleidsmatig)

  • Was in 1867 als minister verantwoordelijk voor het doen uitgaan van een circulaire aan de Commissarissen des Konings, waarin werd bevolen de Koninklijke proclamatie over de Kamerontbinding aan te laten plakken in de gemeenten. Liet tevens met de oproepingsbriefjes een afdruk van de koninklijke proclamatie meesturen.
  • In 1867 verwierp de Eerste Kamer met 19 tegen 15 stemmen de door hem en minister Van den Bosch verdedigde ontwerp-Schutterijwet
  • In 1867 verwierp de Eerste Kamer met 17 tegen 14 stemmen het door hem verdedigde wetsontwerp tot vereniging van de gemeenten Reeuwijk en Sluipwijk
  • Benoemde als minister van Binnenlandse Zaken in 1867 de conservatief Van Heiden Reinestein tot Commissaris des Konings in het overwegend liberale Groningen en weigerde de liberaal Pyls te herbenoemen als burgemeester van Maastricht
  • Stelde in 1875 de afdeling Kunsten en Wetenschappen in en benoemde de katholiek Victor de Stuers tot chef van die afdeling
  • Diende in 1876 een ontwerp-Wet op het lager onderwijs in, die verzoening beoogde tussen openbaar en bijzonder onderwijs, maar die bestreden werd door de liberalen
  • Diende in 1877 een wetsvoorstel in tot bedijking en droogmaking van de Zuiderzee en tot aanleg van een kanaal van Amsterdam naar de Waal. Dit wetsvoorstel werd door zijn opvolger ingetrokken.
  • Diende in 1877 een wetsvoorstel in tot verlaging van de census op het platteland (van 32 en 30 gulden naar 24 en 20 gulden). De weigering van de Tweede Kamer om dit voorstel in behandeling te nemen, was één van de redenen voor de val van het kabinet.
  • Tijdens het door hem tussen 1883 en 1888 geleide kabinet was sprake van een economische recessie die tot werkloosheid en armoede leidde
  • Stelde in mei 1883 een Staatscommissie in die onder zijn leiding een grondwetsherziening moest voorbereiden
  • Liet bij de opening van de Staten-Generaal in september 1883 de publieke tribune bezetten door weesmeisjes uit vrees voor een socialistische demonstratie voor algemeen kiesrecht
  • Diende in 1885 een wetsvoorstel in tot wijziging van de Kieswet. Doel was herziening van de districtsindeling en uitbreiding van het ledental van de Tweede Kamer van 86 naar 94 leden. De districten in de grote steden zouden er elk een zetel bij krijgen. Nieuw voorgestelde districten waren Bergen op Zoom, Apeldoorn, Breukelen en Zaandam. De Tweede Kamer verwierp het voorstel met 44 tegen 42 stemmen.
  • Diende in 1886 een wetsvoorstel in tot beperkingen van vergaderingen en optochten. Dit wetsvoorstel bracht het niet tot openbare behandeling.
  • Kreeg als minister van Binnenlandse Zaken in 1886 te maken met onrust in Den Haag en Amsterdam ('palingoproer')
  • Wist in de periode 1885-1887 geen wijziging van het onderwijsartikel in de Grondwet tot stand te brengen, maar tijdens de debatten hierover werd wel uitgesproken dat de Grondwet zich niet verzette tegen subsidiëring van bijzonder onderwijs.
  • In 1887 verwierp de Tweede Kamer met 38 tegen 34 stemmen een door hem verdedigd wetsvoorstel over bekrachting van een provinciale belasting in Groningen. Daarmee wilden gedeputeerde staten van die provincie een progressieve inkomstenbelasting invoeren.

als bewindspersoon (wetgeving)

  • Bracht in 1867 een wetje tot stand houdende voorzieningen tot bestrijding van de veetyfus, alsmede verhoging van de begroting van Binnenlandse Zaken om dat te bekostigen. Het betrof het ruimen van vee en het tegemoetkomen in de schade.
  • Bracht in 1867 een wet tot stand waarbij de gemeente Schiedam werd uitgebreid met de op te heffen gemeente Oud- en Nieuw-Mathenesse en delen van Kethel en Vlaardinger-Ambacht
  • Bracht in 1867 een wet tot stand over de aanleg op staatskosten van een spoorbrug over het Hollands Diep (Moerdijkbrug)
  • Bracht in 1868 de onteigeningswet ten behoeve van de aanleg van de spoorwegverbinding Gouda-'s-Gravenhage tot stand
  • Bracht in 1875 met minister Enderlein de Hinderwet tot stand. Deze bevatte regels over inrichtingen die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken. Onder de wet vielen onder meer inrichtingen (fabrieken) voor het vervaardigen of verwerken van gevaarlijke stoffen (zoals buskruit, chemicaliën, lood, zink en fosfor), gasfabrieken, stoombedrijven, branderijen, brouwerijen, slachterijen, smelterijen en timmerbedrijven, alsmede fabrieken voor kolen- en olieverwerking. De gemeenteraad kon voor oprichting van dergelijke inrichtingen een vergunning verlangen of daarvoor een bepaalde plaats aanwijzen. Bij gevaar, schade voor derden of hinder van ernstige aard kon de vergunning worden geweigerd.
  • Bracht in 1875 een wet tot stand over de aanleg van een spoorverbinding tussen Arnhem en Nijmegen
  • Bracht in 1875 een nieuwe Spoorwegwet en de wet tot aanleg van spoorwegen tot stand. De Spoorwegwet verving de wet uit 1859 en regelde de dienst en het gebruik van de spoorwegen. De dienst op een spoorweg mocht alleen met toestemming van de minister worden geopend. Een reglement voor de dienst moest eveneens worden goedgekeurd. Verder regelde de wet het toezicht op de spoorwegen en zaken als het vervoer van militairen en bebouwing langs spoorwegen. Er kwamen nieuwe spoorlijnen van Stavoren naar Leeuwarden, van Groningen naar Delfzijl, van Zwolle naar Almelo, van Dordrecht via Gorinchem en Tiel naar Elst, van Amersfoort naar Nijmegen, van Nijmegen naar Venlo, van Rotterdam naar Hoek van Holland, van Zaandam naar Enkhuizen en van 's-Hertogenbosch via de Langstraat naar Lage Zwaluwe. Het wetsvoorstel was in 1873 ingediend door minister Geertsema.
  • Bracht in 1876 de Hoger-Onderwijswet tot stand. Deze regelde het onderwijs aan universiteiten en gymnasia. De wet zorgde er onder meer voor dat het Atheneum Illustre verheven werd tot (Gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam. De studie-eisen en organisatie van de universiteiten (die Rijksuniversiteit in plaats van Hogeschool werden) werden gemoderniseerd. Het oprichten van bijzondere universiteiten werd mogelijk, maar studenten moesten aan een rijksuniversiteit afstuderen. In alle gemeenten met meer dan 20.000 inwoners diende een gymnasium te komen, waarvan het behalen van het einddiploma toegang gaf tot de universiteit. Vrijstelling van schoolgeld voor gymnasia was mogelijk. Het wetsvoorstel was in 1874 ingediend door minister Geertsema.
  • Bracht in 1876 een wet inzake de voorwaarden tot verkrijging van de afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening van de tandheelkunst tot stand
  • Bracht in 1884 een wijziging van de Wet op het lager onderwijs tot stand, waardoor enkele in 1878 aan scholen gestelde eisen werden afgezwakt
  • Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij de gemeente Schoonebeek werd ingesteld door afsplitsing van de gemeente Dalen
  • Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij de gemeente 's-Gravenhage werd uitgebreid met een deel van de gemeente Wassenaar (Duindigt, Waalsdorp)
  • Bracht in 1884 met minister Du Tour van Bellinchave de Wet inzake het staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten (Krankzinnigenwet) tot stand. Deze stelde voorwaarden vast voor de opneming en verpleging in het Rijksgesticht te Medemblik of in één van de particuliere gestichten. Een meerderjarige bloedverwant of aangehuwde, alsmede echtgenoot, voogd of curator kon aan de kantonrechter verzoeken een krankzinnige in een gesticht te doen plaatsen. Een officier van justitie kon daartoe bij een rechtbank een verzoek indienen. Een meerderjarige kon ook zelf om opneming verzoeken. Een geneeskundige moest daarna binnen zeven dagen verklaren of er sprake was van krankzinnigheid. Door een schriftelijke verklaring van de geneeskundige of op verzoek van het O.M. kon ontslag worden verleend uit het gesticht. Ook een bloedverwant of aangetrouwde kon hierom verzoeken.
  • Bracht in 1884 een beperkte Grondwetsherziening tot stand, die het mogelijk maakte dat ook tijdens een regentschap de Grondwet kon worden gewijzigd. Deze wijziging was nodig in verband met de gezondheid van de koning en de kans dat er spoedig een langdurig regentschap zou zijn.
  • Bracht in 1884 een wet tot stand waarbij koningin Emma als regentes werd aangewezen tijdens de minderjarigheid van haar dochter, indien deze voor haar achttiende tot de troon zou worden geroepen
  • Bracht in 1885 een wet tot stand tot uitbreiding van de gemeente Rotterdam met het grondgebied van de op te heffen gemeente Delfshaven
  • Bracht in 1887 een wet inzake vereniging van de gemeenten Rimburg en Ubach over Worms tot stand
  • Bracht in 1887 de Wet Bevolkings- en Verblijfsregisters tot stand, die regels mogelijk maakte over het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en over de wijze waarop inlichtingen daaruit konden worden verstrekt
  • Had in 1887 een groot aandeel in de totstandkoming van de Grondwetsherziening. Deze grondwetsherziening leidde tot opneming van het zgn. caoutchouc-artikel over het kiesrecht: kiesrecht voor mannen die over door de Kieswet te bepalen kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand beschikken. Anders dan in 1848 werd expliciet vastgelegd dat alleen mannen kiesrecht hebben. Daarnaast werd het zeteltal van Tweede en Eerste Kamer uitgebreid naar respectievelijk 100 en 50, werd bepaald dat alle Tweede Kamerleden iedere vier jaar gelijktijdig zouden aftreden, en werden de eisen voor verkiesbaarheid voor de Eerste Kamer verruimd (ook hoge openbare ambten geven recht op verkiesbaarheid, uitbreiding aantal verkiesbare hoogst aangeslagenen). Er kwamen, met uitzondering van in de grote steden, enkelvoudige kiesdistricten.
  • Bracht in 1888 als minister van Koloniën a.i. samen met de minister van Marine een wet tot stand waarbij de Gouverneur-Generaal werd gemachtigd een overeenkomst te sluiten over uitvoering van de paketvaart in de Nederlands-Indische archipel

Wetenswaardigheden

algemeen

  • Werkte in december 1861 mee aan het ten val brengen van het kabinet-Van Heemstra
  • Vormde in november 1866 samen met minister Borret de commissie die namens de Koning de buitengewone zitting van de Staten-Generaal opende. Borret sprak de openingsrede uit.
  • Vormde in februari 1868 samen met minister Schimmelpenninck van Nijenhuis de commissie die namens de Koning de buitengewone zitting van de Staten-Generaal opende. Hij sprak ook de openingsrede uit.

uit de privésfeer

  • Was zeer bijziend
  • Weigerde in 1888 een adellijke titel

verkiezingen

  • Werd in 1850 bij de algemene verkiezing in het district Amsterdam na herstemming verslagen door F.A. van Hall
  • Werd in december 1859 bij een tussentijdse verkiezing in het district Amsterdam gekozen. Versloeg in de eerste stemmingsronde W. Poolman.
  • Werd in 1860 bij de periodieke verkiezingen herkozen. Versloeg onder anderen C. van Heukelom, S. Cool en W. Poolman.
  • Werd in 1864 bij de periodieke verkiezing in het district Amsterdam bij de herstemming samen met J.J.A. Santhagens verslagen door de liberalen J. van Swieten en C. van Heukelum
  • Versloeg in december 1868 bij een tussentijdse verkiezing in het het district Gorinchem na herstemming jhr. J.W. van Loon (a.r.)
  • Versloeg in 1869 bij de periodieke verkiezingen jhr. M.M. van Asch van Wijck (a.r.)
  • Werd in 1873 bij de periodieke verkiezingen na herstemming verslagen door jhr. J.J. Teding van Berkhout (a.r.)
  • Eindigde in 1874 bij een tussentijdse verkiezing in het district Gouda als derde achter H.C. Verniers van der Loeff (lib.) en A. Kuyper (a.r.)
  • Werd in 1879 bij de periodieke verkiezing in het district Alkmaar verslagen door J.L. de Bruyn Kops (lib.)
  • Werd in 1888 in het kiesdistrict Amersfoort verslagen door antirevolutionaire kandidaten

niet-aanvaarde politieke functies

  • minister van Financiën, 1861 (geweigerd)

woonplaats(en)/adres(sen)

  • Amsterdam, Keizersgracht
  • 's-Gravenhage, Herengracht, van juli 1866 tot oktober 1868
  • 's-Gravenhage, Noordeinde 66, vanaf oktober 1868

ridderorden

  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 25 september 1867
  • Grootkruis Orde van de Eikenkroon, 27 mei 1868
  • Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw, 1 mei 1876

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.

  • lid conservatieve kiesvereniging "Grondwet"
  • lid kiesvereniging "Regt voor Allen"
  • lid Maatschappij tot Nut van 't Algemeen

Publicaties van/over

lijst van publicaties

  • "Specimen inaugurale de Montesquivo, pars prior et idem pars altera" (dissertatie, 1839)
  • "De Praktijk onzer Grondwet" (1881)
  • diverse artikelen o.a. in "De Gids" en "De Economist"

literatuur/documentatie

  • Sagittarius, "Parlementaire Portretten. De aftredende helft van de Tweede Kamer der Staten-Generaal" (1869)
  • F. Netscher, "In en om de Tweede Kamer. Parlementaire portretten en schetsen" (1889)
  • Levensbericht door W.J. van Welderen baron Rengers, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1897/8, 242
  • J.J. Huizinga, "J. Heemskerk Azn. (1818-1897), conservatief zonder partij" (1973)
  • H. van Felius en H.J. Metselaars, "Noordhollandse Statenleden 1840-1919"
  • P. Hofland, "Leden van de raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941"
  • "Dagboeken en aantekeningen van Willem Hendrik de Beaufort 1874-1918", uitgegeven door J.P. de Valk en M. van Faassen, RGP kleine serie 74, band 2 (1993), p. 998
  • J.Th.J. van den Berg, "Jan Heemskerk Azn. Conservatief-liberaal", in: F. de Beaufort, J.Th.J. van den Berg en P.C.G. van Schie, "Eigenzinnige Liberalen" (2014), 135
  • F. Heemskerk, "Van vader op zoon. Opkomst en teloorgang van het premiersgeslacht Heemskerk" (2020)
  • Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel I, 1044
  • Ned. Patriciaat, 1961

Biografisch Woordenboek(en)

biografie opgenomen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek

publicaties over en van letterkundigen

biografie

archivalia

archief-Heemskerk, Nationaal Archief

archivalia via site Nationaal Archief

vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

Familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm

gehuwd te Utrecht, 1 oktober 1846

echtgeno(o)t(e)/partner

A.M. Heemskerk, Anna Maria (zijn nicht)

kinderen

4 zoons en 3 dochters (en 1 jong-gestorven zoon)

vader

A. Heemskerk, Abraham

geboorteplaats en/of -datum

Amsterdam, 25 januari 1782

beroep vader

koopman

moeder

J.J. Stuart, Joanna Jacoba

geboorteplaats en/of -datum

Dokkum, 6 juni 1789

broers en zusters

geen broers en/of zussen

beroep grootvader (vaderskant)

  • consul te Aleppo
  • koopman en assuradeur

beroep grootvader (moederskant)

  • Remonstrants predikant te Amsterdam
  • geschiedschrijver des Rijks, vanaf 1815

familierelaties