Dr.Mr. J.R. Thorbecke

J.R. Thorbecke

Liberale staatsman. Hoogleraar in Gent en Leiden, die als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 grondlegger was van onze parlementaire democratie. Kwam als Tweede Kamerlid al in 1844 met acht medeleden met een voorstel tot herziening van de Grondwet in democratische zin. Werd in 1848 door koning Willem II gevraagd een liberale Grondwet te ontwerpen. Hierdoor kwamen er rechtstreekse verkiezingen en ministeriële verantwoordelijkheid en werden parlementaire rechten uitgebreid. Leidde daarna drie keer een kabinet, waarbij hij onder meer de Kieswet, Gemeentewet en Provincie Wet tot stand bracht. Legde daarmee ook de basis voor de bestuurlijke organisatie met drie bestuurslagen. Zijn tweede kabinet zorgde voor instelling van de HBS en aanleg van de Nieuwe Waterweg. Had niet de sympathie van koning Willem III. Hoewel hij veel medestanders later van zich vervreemdde en soms weerstanden opriep, was hij ongetwijfeld de grootste Nederlandse staatsman van de negentiende eeuw.

liberaal, Thorbeckiaan
functie(s) in de periode 1840-1872: buitengewoon lid Tweede Kamer, lid Tweede Kamer, minister

Inhoud

  1. Personalia
  2. Partij/stroming
  3. Hoofdfuncties/beroepen
  4. Nevenfuncties
  5. Opleiding
  6. Activiteiten
  7. Wetenswaardigheden
  8. Publicaties van/over
  9. Familie/gezin

Personalia

voornamen (roepnaam)

Johan Rudolf

titulatuur en naam

Dr.Mr. J.R. Thorbecke

opmerkingen over de naam en/of titel

Zijn roepnaam was "Rudolph"

geboorteplaats en -datum

Zwolle, 14 januari 1798

overlijdensplaats en -datum

's-Gravenhage, 4 juni 1872

levensbeschouwing

Evangelisch-Luthers (niet kerks)

Partij/stroming

stroming(en)

liberaal

Hoofdfuncties/beroepen

  • ambteloos, van 1820 tot 1824 (reisde door Duitsland)
  • privaatdocent wijsbegeerte en geschiedenis te Giessen (Hessen, Dld.), van 1821 tot 1823
  • ambteloos te Amsterdam, van 1824 tot mei 1825
  • buitengewoon hoogleraar politieke en diplomatieke geschiedenis en statistiek, Universiteit te Gent, van 1825 tot 1830
  • ambteloos, van 1830 tot maart 1831
  • toegevoegd hoogleraar diplomatie en staatkundige geschiedenis, Hogeschool te Leiden, van maart 1831 tot januari 1834
  • hoogleraar rechtsgeleerdheid, Hogeschool te Leiden, van januari 1834 tot 31 oktober 1849
  • buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840 (voor Holland)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 21 mei 1844 tot 19 oktober 1845 (voor Zuid-Holland)
  • voorzitter Staatscommissie om, met overweging van de wensen van de Tweede Kamer, een volledig ontwerp der Grondwetsherziening aan de Koning voor te dragen, en om tevens denkbeelden omtrent de samenstelling van een ministerie mede te delen, van 17 maart 1848 tot 4 november 1848
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 17 oktober 1848 tot 31 oktober 1849 (1848-1849 voor Zuid-Holland, in 1849 voor het kiesdistrict Leiden)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 1 november 1849 tot 19 april 1853 (benoemd bij K.B. van 31 oktober 1849)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 27 juni 1853 tot 31 januari 1862 (1853-1856 voor het kiesdistrict Maastricht, 1856-1862 voor het kiesdistrict Deventer)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 1 februari 1862 tot 10 februari 1866
  • voorzitter van de ministerraad, van 2 februari 1862 tot februari 1866 (formeel tijdelijk)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 14 maart 1866 tot 1 oktober 1866 (voor het kiesdistrict Groningen)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 19 november 1866 tot 3 januari 1868 (voor het kiesdistrict Assen)
  • lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 25 februari 1868 tot 4 januari 1871 (voor het kiesdistrict Assen)
  • minister van Binnenlandse Zaken, van 4 januari 1871 tot 4 juni 1872 (benoemd per 3 januari 1871)
  • voorzitter van de ministerraad, van januari 1871 tot 4 juni 1872 (formeel tijdelijk)

ambtstitel

  • minister van staat, van 9 februari 1866 tot 4 juni 1872

(in)formateurschap(pen)

  • kabinetsformateur (samen met J.Th.H. Nedermeyer ridder Rosenthal), van 3 oktober 1849 tot 15 oktober 1849
  • kabinetsformateur, van 18 januari 1862 tot 30 januari 1862
  • kabinetsformateur, van 23 mei 1868 tot 2 juni 1868 (formeerde het kabinet-Van Bosse/Fock)
  • kabinetsformateur, van 30 december 1870 tot 2 januari 1871

Nevenfuncties

  • decaan rechtenfaculteit, Hogeschool van Leiden, van 1834 tot 1835
  • secretaris rechtenfaculteit, Hogeschool van Leiden, vanaf 1835
  • staatsraad in buitengewone dienst, Raad van State, van 4 november 1848 tot 31 oktober 1849 (feitelijk een erefunctie)

afgeleide functies, presidia etc.

  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 14 februari 1849 tot april 1849
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van juli 1849 tot november 1849
  • tijdelijk voorzitter van de ministerraad (diverse malen, tussen november 1849 en april 1853)
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1855 tot september 1855
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1857 tot april 1857
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van november 1857 tot april 1858
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1858 tot februari 1861
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van april 1861 tot april 1862
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1866 tot oktober 1866
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1867 tot januari 1868
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1868 tot februari 1869
  • voorzitter Commissie omtrent de bescheiden betreffende de Limburg-Luxemburgsche aangelegenheden (Tweede Kamer der Staten-Generaal), maart 1868
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1869 tot februari 1870
  • lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van mei 1870 tot januari 1871

Opleiding

onderwijs buiten schoolverband

huisonderwijs, tot 1813

primair onderwijs

  • lagere school "School van Nut van 't Algemeen" te Amsterdam, van 1805 tot 1805
  • lagere school te Zwolle, van 1807 tot 1808

voortgezet onderwijs

  • Latijnse School te Zwolle, van 1813 tot mei 1815

academische studie

  • rechten, letteren en theologie, Atheneum Illustre te Amsterdam, van mei 1815 tot september 1818
  • letteren en rechten (kandidaatsexamen), Hogeschool te Leiden, 1 oktober 1817
  • letteren (gepromoveerd op dissertatie), Hogeschool te Leiden, van 1 oktober 1818 tot 19 juni 1820

eredoctoraten

  • rechtsgeleerdheid, Hogeschool te Leiden, 14 juni 1831

Activiteiten

als parlementariër

  • Stemde in 1840 met tien andere Tweede Kamerleden tegen alle voorstellen tot Grondwetsherziening
  • Behoorde in 1844 tot de 28 leden die vóór het ontwerp-Adres van Antwoord stemden, waarin werd aangedrongen op grondwetsherziening
  • Behoorde in 1844 tot de meerderheid die tegen een wetsvoorstel stemde over het doen van huiszoekingen in het kader van de accijns op vlees. Het wetsvoorstel werd met 27 tegen 26 stemmen verworpen.
  • Diende op 2 december 1844 met acht geestverwanten een initiatiefvoorstel in tot herziening van de Grondwet. De Tweede Kamer besloot op 31 mei 1845 met 34 tegen 21 stemmen het voorstel niet in behandeling te nemen.
  • Behoorde in 1845 tot de 24 leden die tegen het wetsvoorstel over het tarief voor in-, uit- en doorvoerde stemden. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 24 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in 1845 tot de 19 leden die tegen hoofdstuk I van de begroting voor 1846 en 1847 stemden. De begroting werd met 37 tegen 19 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in 1845 tot de meerderheid die tegen het wetsvoorstel inzake onteigening ten algemene nutte stemde. Het wetsvoorstel werd met 31 tegen 20 stemmen verworpen.
  • Diende in 1853 met acht anderen een initiatiefwetsvoorstel in tot afschaffing van het tonnengeld en de accijns op geslacht. Dit voorstel werd door de Tweede Kamer verworpen.
  • Behoorde in 1854 tot de 19 leden die tegen het wetsvoorstel tot vaststelling van het reglement op het beleid der regering van Nederlandsch-Indië stemden
  • Interpelleerde in 1855 minister Forstner van Dambenoy over de vraag of in de bestaande omstandigheden een verplaatsing van het Limburgs contingent buiten de grenzen te verwachten was
  • Interpelleerde in 1856 de ministers Van Reenen en Van Hall over de stremming van de scheepvaart op de Maas en het Zuid-Willemskanaal
  • Interpelleerde in 1858 minister Van Rappard over de stand van zaken bij de spoorwegen
  • Stemde in 1860 tegen de ontwerp-Wet aanleg van spoorwegen voor rekening van de staat. Het wetsvoorstel werd met 49 tegen 23 stemmen aangenomen.
  • Behoorde in mei 1866 tot de liberalen die vóór het amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet stemden. Aanneming van dit amendement leidde tot de val van het kabinet-Fransen van de Putte.
  • Interpelleerde in 1867 minister Van Zuylen van Nijevelt over Luxemburgse aangelegenheden
  • Interpelleerde in 1868 de regering over de (tweede opeenvolgende) Kamerontbinding. De interpellatie eindigde met aanneming van de motie-Blussé van Oud-Alblas, waarin de ontbinding niet in het landsbelang werd genoemd. Hij behoorde tot de voorstemmers.

als bewindspersoon (beleidsmatig)

  • Was in 1849 verantwoordelijk voor de benoeming van G. Vissering als zijn opvolger als hoogleraar in Leiden
  • Had in 1850 een belangrijk aandeel in het nieuwe reglement van orde van de ministerraad, waardoor de vereiste van homogeniteit werd vastgelegd (26 augustus 1850)
  • Handhaafde na het tot stand komen in 1850 van de Provinciewet niet de gouverneurs van Groningen (Rengers) en Utrecht (Van de Poll)
  • Was in 1851 verantwoordelijk voor de opheffing van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten en oprichting van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (voorloper van de KNAW), die zich richtte op wis- en natuurkunde
  • De door hem in 1851 en 1853 ingediende ontwerpen voor een Wet op het Armbestuur werden vanuit conservatieve en kerkelijke hoek sterk bekritiseerd vanwege het centralistische karakter en vanwege de aantasting van de kerkelijke armenzorg. Het tweede (aangepaste) voorstel werd door het kabinet-Van Hall ingetrokken.
  • In 1852 verwierp de Eerste Kamer het door hem verdedigde wetsvoorstel tot regeling van de plicht der provincie om behoeftige gemeenten tegemoet te komen
  • Ontsloeg in 1853 de conservatieve Commissarissen des Konings Schimmelpenninck (Gelderland) en Van Vredenburch (Zeeland)
  • In 1863 verwierp de Tweede Kamer met 35 tegen 20 stemmen een door hem een minister Betz verdedigd wetsvoorstel om de H.IJ.S.M. een subsidie te verlenen voor het versmallen van de spoorwijdte om daarmee aansluiting op de lijn van de Rhijn-spoorwegmaatschappij mogelijk te maken
  • Was in 1866 vanwege ziekte afwezig bij de stemming over de motie-Keuchenius. Keurde die motie niet af, maar zou vanwege de gevolgen hebben tegengestemd. Hij vond dat het wegzenden van een kabinet slechts geoorloofd was als de voorstemmers in staat waren een ander kabinet te vormen.
  • Verleende in 1872 dispensatie aan Aletta Jacobs om (als eerste vrouw) aan de Universiteit van Groningen medicijnen te gaan studeren.

als bewindspersoon (wetgeving)

  • Bracht in 1850 samen met Nedermeijer van Rosenthal de Wet op het Nederlanderschap tot stand. Deze bepaalde dat burgers door geboorte uit in op het grondgebied van het Rijk in Europa gevestigde ouders het Nederlanderschap verkregen. Naturalisatie was mogelijk bij wet. Door het aannemen van naturalisatie in een vreemd land of vijfjarig verblijf in een vreemd land met het oogmerk om niet terug te keren, ging het Nederlanderschap verloren.
  • Bracht in 1850 de Kieswet tot stand, waarin uitwerking werd gegeven aan de bepalingen van de herziene Grondwet. De Tweede Kamerleden werden via een districtenstelsel op basis van een meerderheidsstelsel voor vier jaar gekozen, waarbij de helft van de leden om de twee jaar aftrad. Alleen zij die voor een bepaalde som aangeslagen werden in de belastingen mochten stemmen (censuskiesrecht). Het land werd in 38 kiesdistricten verdeeld, waarvan 11 met één en 26 met twee afgevaardigden. Amsterdam koos vijf afgevaardigden. Wijziging van de districtsindeling moest iedere vijf jaar bij wet geschieden.
  • Bracht in 1850 de Provinciale Wet tot stand. Deze regelde het bestuur in de provincies. Provinciale Staten werden via een districtenstelsel voor zes jaar direct gekozen, eveneens op basis van meerderheidsstelsel, waarbij iedere drie jaar de helft van de leden werden gekozen. Uit het midden van Provinciale Staten werd het College van Gedeputeerde Staten gekozen. In plaats van Gouverneurs kwamen er door de Kroon benoemde Commissarissen des Konings. De Commissaris werd voorzitter van Provinciale en Gedeputeerde Staten en had in laatstgenoemd college stemrecht.
  • Bracht in 1851 de Gemeentewet tot stand. Het onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten verdween en de Friese grietenijen werden eveneens gemeenten. De vaststelling van grenzen en vereniging en splitsing van gemeenten moest bij wet plaatsvinden. Aan het hoofd van de gemeente komt de rechtstreeks gekozen gemeenteraad, waarvan de leden voor zes jaar werden gekozen op basis van een meerderheidsstelsel. De voor zes jaar door de Kroon benoemde burgemeester is voorzitter van de raad en van het dagelijks bestuur, het college van burgemeester en wethouders. De gemeenten zijn deels autonoom en hebben deels taken van zelfbestuur: zij voeren mede het rijksbeleid uit. Gedeputeerde Staten oefent repressief toezicht uit op de gemeentefinanciën en de Kroon op besluiten van de raad. Iedere gemeente kreeg een eigen gemeentelijke politie.
  • Bracht in 1851 een nieuwe Onteigeningswet tot stand. Onteigening moest bij wet geschieden onder verklaring dat onteigening ten algemene nutte strekte en met globale aanduiding van de werkzaamheden.
  • Bracht in 1852 een wet inzake de electro-magnetische telegrafen tot stand, waarbij de oprichting van de Rijkstelegraaf werd geregeld die het monopolie kreeg voor het verzenden van telegrammen
  • Bracht in 1852 de Wet inzake jacht en visserij tot stand, waardoor jagen of vissen op andermans grond alleen na schriftelijke toestemming van de eigenaar mogelijk werd.
  • Bracht in 1863 een wet tot vereniging van de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Houtrijk en Polanen en Zuidschalkwijk tot stand
  • Bracht in 1863 de Wet op het middelbaar onderwijs tot stand, die onder meer een wettelijke basis gaf aan de hogere-burgerscholen. Verder werden er regels gesteld voor het onderwijs (vakken, examens, onderwijzers) aan burger- en landbouwscholen. De Koninklijke Academie in Delft werd Polytechnische School. Hier vond de opleiding van ingenieurs plaats.
  • Bracht in 1863 een wet tot regeling van de exploitatie van staatsspoorwegen tot stand, waardoor de (particuliere) Maatschappij tot exploitatie van staatsspoorwegen concessie tot exploitatie kreeg.
  • Bracht in 1863 een wet betreffende het maken van een kanaal door Holland op zijn smalst en verbetering van de waterweg van Rotterdam naar zee tot stand. De Staat waarborgde een rente van vier en half procent voor het kapitaal van 15 miljoen gulden voor aanleg van het Noordzeekanaal. De aanleg van de Nieuwe Waterweg geschiedde geheel voor rekening van de Staat.
  • Bracht in 1863 de wet strekkende tot het stichten van een paleis voor de beide Kamers der Staten-Generaal tot stand. Deze wet bleef onuitgevoerd.
  • Bracht in 1864 een wet tot stand waardoor het ledental van de Tweede Kamer werd uitgebreid van 72 naar 75
  • Bracht in 1865 wetten tot stand inzake het geneeskundig Staatstoezicht, inzake de uitoefening der geneeskunst en inzake de uitoefening van de artsenijbereidkunst, alsmede tot regeling van de bevoegdheid voor het verkrijgen van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw. Op grond van de Wet inzake het geneeskundig staatstoezicht kwamen er inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de volksgezondheid en geneeskundige raden.
  • Bracht in 1865 samen met minister Betz een wettelijke regeling voor de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten tot stand. De gemeentelijke accijnzen werden afgeschaft en in ruil daarvoor kregen gemeenten vier vijfden van de opbrengsten van de Personele belasting.

Wetenswaardigheden

algemeen

  • Was in 1840 nog voorstander van getrapte verkiezingen van de Tweede Kamer, maar sloot zich in 1844 aan bij de in Frankrijk en Duitsland onder hervormingsgezinden levende opvatting dat rechtstreekse verkiezingen het beste waren
  • Was in december 1844 de voornaamste van negen Kamerleden (de 'Negenmannen') die het initiatief namen voor het indienen van een voorstel tot Grondwetsherziening. Hij schreef de memorie van toelichting bij dit voorstel. Hoofdpunten van de dit voorstel waren invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid, rechtstreekse verkiezingen van de Tweede Kamer volgens het census-kiesrecht en de mogelijkheid tot Kamerontbinding.
  • Was voorstander van het verlenen van kiesrecht aan gepromoveerden
  • Werd in februari en september 1849 als tweede op de voordracht voor het Tweede Kamervoorzitterschap gezet. In februari 1849 versloeg hij B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis in de vierde stemming met 34 tegen 30 stemmen. In september 1849 werd hij bij de keuze van de nummer één van de voordracht met twee stemmen verschil verslagen door J.K. baron van Goltstein.
  • Had in september 1849 als voorzitter van de Commissie van redactie voor het Adres van Antwoord een belangrijk aandeel in de vervanging van het kabinet-De Kempenaer. De Kamer sprak in het Adres uit dat met dat kabinet niet goed kon worden samengewerkt.
  • Voltooide in 1849 pas na een onderhoud met de koning zijn formatie (samen met Nedermeyer). Dat onderhoud was tot stand gekomen door tussenkomst van Van Goltstein, nadat de koning aan de formateurs had gevraagd hem schriftelijk in te lichten over hun zienswijze op belangrijke punten van bestuur en wetgeving.
  • Zijn eerste kabinet trad af, nadat de koning in zijn reactie op een aan hem gericht adres (de Aprilbeweging) over het herstel van de kerkelijke hiërarchie, was afgeweken van het advies van het kabinet.
  • Zijn tweede kabinet stond bekend als "het kabinet-met-den-spade-op-den-schouder". Dit kabinet bevorderde de vrijhandel en verbeterde de infrastructuur.
  • Kwam in 1866 in conflict met Fransen van de Putte over de vraag of het Wetboek van Strafrecht voor Nederlands-Indië bij K.B. of bij wet moest worden ingevoerd. Toen alleen Olivier zijn keuze voor invoering bij wet steunde, diende hij zijn ontslag in.
  • Zijn derde kabinet stond bekend als "het kabinet-met-het-geweer-op-den-schouder". Van de plannen tot legerhervorming kwam echter niets.

uit de privésfeer

  • Toen zijn familie in 1812 naar Duitsland ging, werd hij opgenomen in het gezin van Ds. A. Droysen
  • Schreef zich in als student in Amsterdam om buiten de conscriptie te vallen
  • Om hem te laten studeren, ontzegde de familie zich alles
  • Had grote belangstelling voor Cicero en Asinus Pollio
  • Volgde te Amsterdam colleges bij de hoogleraren J.H. van Reenen, J.H. van Swinden en H. Bosscha
  • Woonde tijdens zijn studie (1815-1818) in Amsterdam bij Ds. Georg Sartorius, die hem begeleidde bij zijn studie
  • Zelfstudie, met name op het gebied der statistiek
  • Deed in 1826 mee aan een prijsvraag die geschied- en letterkundigen uitnodigde om een plan te maken volgens welke de geschiedenis van Nedeerland zou moeten worden bewerkt (niet bekroond)
  • Kandidaat voor de vacante leerstoel in de filosofie Rijksuniversiteit in Leiden in 1822, maar werd niet benoemd omdat hij te jong werd bevonden
  • Kandidaat voor de vacante leerstoel voor de wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht in 1824, maar niet benoemd omdat de curatoren hem minder geschikt vonden
  • Werd na zijn studie financieel ondersteund door zijn studievriend W.A. baron Schimmelpenninck van der Oye
  • Was kort na zijn aantreden als minister in 1849 zes weken grotendeels uitgeschakeld door ziekte
  • Bevriend met onder anderen zijn mede-Kamerleden L.D. Storm en J.P. de Fremery, en met zijn leerling James Loudon en Nicolaas Olivier
  • Bezat sinds 1852 een landgoed nabij Zwartsluis; verbleef ook geregeld in Enschede (bij Van Heek) en in Dresden
  • Zijn zoon Herman overleed in 1858 op 17-jarige leeftijd, zijn zoon Rudolf in 1861 op 22-jarige leeftijd
  • Hij kreeg geen staatsbegrafenis. Zijn sobere begrafenis in Den Haag trok duizenden belangstellenden.
  • Zijn twee dochters kregen na zijn dood in 1872 een levenslang pensioen van staatswege (wet van 12 november 1872, Staatblad 117)
  • In Amsterdam werd op 18 mei 1876 een door Ferdinand Leenhoff vervaardigd bronzen standbeeld onthuld. Het beeld kwam te staan op het Reguliersplein, dat werd omgedoopt in Thorbeckeplein.
  • In Zwolle werd in 1992 op het Stationsplein een door de kunstenaar Hans Bayens vervaardigd bronzen standbeeld geplaatst
  • Op 17 februari 2017 onthulde minister-president Rutte een door Thom Purkey vervaardigd monument dat op het Lange Voorhout staat, met zicht op het Torentje

anekdotes en citaten

  • Beantwoordde 13 december 1849 de kritiek van Groen van Prinsterer dat zijn kabinet geen programma had met de woorden: "Wacht op onze daden!"
  • Trad altijd zeer zelfbewust op en was een meester in het debat, waarbij hij behalve afgemeten ook vlijmscherp op tegenstanders kon reageren. Betitelde in november 1860 het beleid van het kabinet-Van Hall/Van Heemstra als 'parasitische politiek'.
  • Sprak op 9 april 1867 bij de behandeling van een wetsvoorstel tot beteugeling van de veepest de woorden: "de veetyphus is eene ramp voor het land, maar een zegen voor de oppositie".
  • Aangezien de Tweede Kamer vanaf juni 1872 niet vergaderde werd pas op 18 september aandacht aan zijn overlijden besteed. Voorzitter Dullert hield een korte toespraak, waarin hij onder meer zei dat Nederland een staatsman had verloren. In de Eerste Kamer sprak de Voorzitter wel in juni een korte rede uit.

verkiezingen

  • Werd in maart 1844 bij een tussentijdse verkiezing gekozen. Hij kreeg in de Staten van Holland in de tweede stemronde 40 van de 72 stemmen. Voornaamste tegenkandidaat was P.L. Begram, die 7 stemmen kreeg.
  • Werd in 1845 bij de periodieke verkiezingen in de Staten van Zuid-Holland verslagen door A. van Rijckevorsel. Hij kreeg 36 stemmen, tegen 40 voor Van Rijckevorsel (bij twee blanco stemmen).
  • Werd in 1848 bij de periodieke verkiezingen in de Staten van Zuid-Holland gekozen. Kreeg bij de derde stemming evenveel stemmen (38) als P.F. Timmers Verhoeven en was daardoor als oudste kandidaat gekozen.
  • Werd in 1848 gekozen in de districten Leiden en Zutphen. Versloeg in het district Zutphen R.W. Tadema en in Leiden jhr. D.Th. Gevers van Endegeest (cons.). Werd in het district Leiderdorp na herstemming verslagen door G.W. Verweij Mejan, in het district Gouda door G.M. van der Linden en in het district Dordrecht door J.S. Lotsy. Hij was tevens kandidaat in de districten Almelo, Brielle, Deventer, Middelburg, Ridderkerk, Rotterdam en Zaandam.
  • Werd in 1853 niet in een noordelijk district gekozen, maar in de (katholieke) districten Breda en Maastricht. Nam zitting voor Maastricht. Werd in het district Deventer na herstemming verslagen door jhr. C.M. Storm van 's-Gravesande en in het district Den Bosch na herstemming door J.H.H. de Poorter. Werd in Leiden verslagen door de conservatieven P.H. baron van Taets van Amerongen en jhr. D.Th. Gevers van Endegeest.
  • Werd in 1856 bij de periodieke verkiezingen in de districten Deventer en Maastricht gekozen en nam zitting voor Deventer. Versloeg in Deventer jhr. C.M. Storm van 's-Gravesande en werd in Maastricht bij enkelvoudige kandidaatstelling gekozen.
  • Werd in maart 1866 bij tussentijdse verkiezingen in de districten Groningen en Zutphen gekozen en nam zitting voor het district Groningen. Versloeg in Groningen jhr. O.Q.J.J. van Swinderen en in Zutphen H.W. Swaving en L.A.F.H. baron van Heeckeren.
  • Werd in 1866 bij de algemene verkiezingen in de districten Assen en Groningen gekozen en nam zitting voor Assen. Versloeg in Assen na herstemming L. Oldenhuis Gratama en P.Ph. van Bosse (lib.) en in Groningen o.a. E. van Loon en L.W.Ch. Keuchenius (a.r.).
  • Werd in 1868 bij de algemene verkiezingen in de eerste stemmingsronde gekozen. Versloeg o.a. P. van der Veen (cons.).

pseudoniemen, bij-, koos- en schuilnamen

"Thor" (bijnaam)

woonplaats(en)/adres(sen)

  • Zwolle, van 14 januari 1798 tot mei 1815
  • Amsterdam, van 1805 tot 1806
  • Zwolle, van 1806 tot mei 1815
  • Amsterdam, van mei 1815 tot september 1818
  • Leiden, van september 1818 tot 1820
  • Göttingen, van 1820 tot oktober 1824
  • Amsterdam, van 1824 tot juni 1825
  • Gent, van juni 1825 tot oktober 1830
  • Leiden (op kamers, onder meer in de Breestraat), van oktober 1830 tot september 1836
  • Leiden, Garenmarkt (9), van september 1836 tot mei 1850
  • 's-Gravenhage, Koninginnegracht, van mei 1850 tot 4 juni 1872

ridderorden

  • Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 31 december 1851
  • Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw, 7 juni 1863

relevante buitenlandse reizen

studiereis langs Heidelberg, München, Dresden, Berlijn, Giessen en Göttingen, van 1820 tot oktober 1824

vermogenspositie

studiebeurs van f 1200,- van het departement voor publiek onderwijs, die later met nog f 1500,- verhoogd werd

verenigingen, sociëteiten, genootschappen etc.

  • lid Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, vanaf 1829
  • corresponderend lid Groningse rechtsgeleerde genootschap 'Pro Excoloendo Jre Patrio', vanaf januari 1836
  • lid derde klasse, Koninklijk Instituut voor Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, vanaf maart 1836
  • lid Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, vanaf maart 1839

Publicaties van/over

lijst van publicaties

  • "Responsio ad quaestionem philosopticam: de principio philosophiae et officiorum in ciceronis operibus philosophicis" (1817) (verhandeling t.g.v. een prijsvraag over Cicero's moraal filosofie; werd met goud bekroond)
  • "Commentatio ad quaestionem literariam: ex iis quae in libris Ciceronis de oratore a Crasso, Antonio, Caesare, aliis, de eloquentia disputantur, ipsius efficiatur Ciceronis de perfecto oratore sententia" (1820) (ingezonden t.g.v. een prijsvraag)
  • "Commentatio de C. Asinii Pollionis vita et studiis doctrinae" (dissertatie, 1820)
  • "Responsio ad quaestionem philosophicam: de eo, quod in dogmaticis oppugnandis, inter academicos et scepticos interfuit" (1821) (ingezonden t.g.v. een prijsvraag)
  • "Uber das wesen und das organischen Charakter der Geschichte" (opstel, 1824)
  • "Bedenkingen aangaande het Regt en Den Staat" (1824) (rechtsfilosofisch geschrift, waarmee hij zich mengde in de rechtsfilosofische twist tussen W. Bilderdijk en Kinker)
  • "Staatsinrigting en Staatsbestuur"
  • "Over het bestuur van het onderwijs in betrekking tot eene aanstaande wetgeving" (brochure, 1829)
  • "Over het hedendaagsche staatsburgerschap" (rede, 1830)
  • "Over de verandering van het algemeen staten-stelsel sedert den Franse onwenteling" (1831)
  • "Kerkelijk staatsregt. Onderzoek naar de brochure De maatregelen tegen de afgescheidenen aan het staatsregt getoest, door G. Groen van Prinsterer" (1837)
  • "Aantekening op de Grondwet" (1839)
  • "Over de herziening van ons kiesstelsel" (1842)
  • twee brochures over de Belgische afscheiding (1830)
  • "Proeve van herziening der Grondwet" (1840)
  • "Over plaatselijke begrooting" (1847)
  • "Bijdrage tot de herziening van de Grondwet" (1848)
  • "Parlementaire redevoeringen 1840-1866" (6 delen, 1856-1870)
  • "De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J.R. Thorbecke" (6 delen, 1900-1910)
  • "Narede. Parlementaire redevoeringen ministerie van sept 1865-febr 1866" (1870)
  • "Historische schetsen" (1860, 1872)
  • zie voor volledige lijst: R. Aerts, "Thorbecke wil het" (p. 831-834)

literatuur/documentatie

  • S. van Houten, "De Staatsleer van mr. J.R. Thorbecke" (1872)
  • P. Fredericq, "Thorbecke voor 1830" (1906)
  • C. van Vollenhoven, "Professor Thorbecke" (1931)
  • D. Hans, "Thorbecke" (1932)
  • W. Verkade, "Overzicht der staatkundige denkbeelden van Johan Rudolf Thorbecke" (1935)
  • J.B. Manger, "Thorbecke en de Historie" (1938)
  • A. Alberts, "Baud en Thorbecke 1847-1851" (1939)
  • I.J. Brugmans, "Thorbecke" (1948)
  • K.H. Boersema, "Johan Rudolf Thorbecke. Een historisch-critische studie" (1949)
  • C.W. de Vries, "De ongekende Thorbecke" (1950)
  • A. Graafhuis, "Johan Rudolf Thorbecke" (1956)
  • A. Alberts, "Johan Rudolf Thorbecke" (1965)
  • W. Verkade, "Thorbecke als Oost-Nederlands patriot" (1974)
  • C.H. de Wit, "Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie" (1980)
  • G.A. van der List, "J.R. Thorbecke 1789-1872", in: G.A. van der List en P.C.G. van Schie (red.), "Van Thorbecke tot Telders" (1993)
  • H. te Velde, "Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl", 19-51 (2003)
  • J. Drentje, "Thorbecke. Een filosoof in de politiek" (2004)
  • G.J. Hooykaas, "Thorbecke. Een leven in brieven" (2005)
  • R.A.M. Aerts, "Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman" (2018)
  • Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel IV, 1308
  • Ned. Patriciaat, 1986

Biografisch Woordenboek(en)

biografie opgenomen in het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek

publicaties over en van letterkundigen

biografie

archivalia via site Nationaal Archief

vindplaatsen en beschrijvingen verzameld door het Nationaal Archief

Familie/gezin

huwelijk/samenlevingsvorm

gehuwd te Tharand (bij Dresden), 15 juli 1836 (echtgenote overleden 26 maart 1870)

echtgeno(o)t(e)/partner

A. Solger, Adelheid

kinderen

4 zoons en 2 dochters (en 2 jong-gestorven zoons)

vader

F.W. Thorbecke, Frederik Willem

geboorteplaats en/of -datum

Zwolle, 13 mei 1760

beroep vader

grossier in tabak en koloniale waren

moeder

Ch.R. Thorbecke, Christine Regina

geboorteplaats en/of -datum

Osnabrück, 18 juni 1769

beroep grootvader (vaderskant)

tabakshandelaar

beroep grootvader (moederskant)

tabakshandelaar